Het MonumentenWeb ruimt plaats in voor de publicatie van artikelen op het gebied van
monumenten-gerelateerde onderwerpen. Het onderwerp moet interessant zijn voor
onze bezoekers, zulks ter beoordeling van het team van het MonumentenWeb. Na plaatsing blijft het artikel in ons archief en kan worden
opgevraagd per E-mail of fax. Het artikel moet in gedigitaliseerde vorm worden
aangeleverd; de tekst maximaal 7 A4-pagina’s en maximaal 3 foto’s / afbeeldingen.
Een duidelijke vermelding van de naam van de auteur en eventueel de organisatie
is verplicht.
Maak uw keuze door het
aanklikken van de titel van het artikel.
Spaarne 108 te Haarlem - een kort overzicht van de bouwgeschiedenis en de restauratie
De Pyramide van Austerlitz
- een kort overzicht van de bouwgeschiedenis
Een
korte geschiedenis van kerkgebouw De Hoop in Diemen
Communicatievoorzieningen
in een monumentale omgeving
Spaarne
108 te Haarlem - een kort overzicht van de bouwgeschiedenis en de restauratie
auteur: ir. P.C. van Traa (architectenbureau De Steunbeer BV - Helmond)
In 1924 verwerft Vereniging Hendrick de Keyser het pand Spaarne 108, gelegen
in de bocht van het Spaarne tussen de Gedempte Oude Gracht en de Gravinnesteeg.
Bekendheid kreeg het pand vooral door haar illustere bewoner Kees Verweij, die
in 1995 overleed. In 1996/97 werd op basis van een plan van architectenbureau
De Steunbeer BV te Helmond een algehele restauratie uitgevoerd. Vooraf en
tijdens de uitvoering van de restauratie is bouwhistorisch onderzoek verricht,
waarvan dit artikel een kort verslag bevat.
Het niet onderkelderde pand bestaat uit een voor- en achterhuis, over de
volle breedte van het perceel, beide in twee bouwlagen met kap - waarin één
zolderverdieping en vliering. Aan de rechter zijde van het perceel staat tegen
de erfgrens een achterbouw in één bouwlaag met kap. Het perceel is geheel
omgeven met bouw- en tuinmuren van de bebouwing op de belendende percelen.
Over de bouwdatum van het oudste gedeelte - het voorhuis - is geen
zekerheid. Duidelijk is dat de datum gezocht moet worden in de latere
middeleeuwen. In oorsprong betreft het een pand van bijna 7 meter breed en
ongeveer 11,5 meter diep. De voorgevel staat onder een hoek met de bouwmuren,
hetgeen duidt op een in de bouwtijd reeds vastgelegde rooilijn. Het pand bezit
een volledig eiken houtskelet. Twee paar muurstijlen (30x35cm.), ongeveer 5cm.
in de bouwmuur ingelaten, steunen moerbalken Zo is het pand verdeeld in drie
balkvakken van ongeveer 300cm. breed. De moerbalken van de zolderbalklaag tonen
aan dat de balk oorspronkelijk van een sleutelstuk van 155cm. lang was
voorzien. Het sleutelstuk was middels vier houten pennen met de balk verbonden.
De sporenkap bestaat uit twee gestapelde gebinten met 'krommer' jukbenen
verbonden aan de jukdekbalk en een korbeel ingelaten in- en met pen/gat
verbonden aan jukdekbalk en jukbeen (hier met een vrij lange pen en zeven
toognagels). Het bovenste gebint is van recenter datum. Een makelaar zal de nok
gesteund hebben. Over de moerbalken en de jukdekbalken liggen kinderbinten
waarop de houten vloeren zijn genageld. Zowel het jukbeen als de korbeel zijn
dendrochronologisch bemonsterd. De datering geeft een kapdatum van circa
1378/1379. Het is gevaarlijk op basis van een bemonstering van een gering
aantal onderdelen een bouwtijd vast te stellen. Indien de bemonstering toch een
aanduiding van de bouwtijd inhoudt, betekent dit dat het pand vrij vroeg in de
eerste periode van economische bloei van Haarlem - tussen 1350 en 1450 - moet
zijn gebouwd.
Over de indeling van de ruim 4,5 meter hoge onderste bouwlaag is niet
veel bekend. Bij herstelwerkzaamheden in de '50-er jaren zijn in de zuidelijke
bouwmuur in de voorkamer één of mogelijk twee vensteropeningen zijn
waargenomen. Op zich is dit niet opmerkelijk, aangezien het pand aan die zijde
tot 1762 los van belending heeft gestaan. Over de situering van de stookplaats
bestaan vermoedens, die echter gebaseerd zijn op zeer summiere bouwhistorische
waarnemingen. De verstoring van het metselwerk van de zuidelijke bouwmuur in
beide bouwlagen geeft aanleiding te vermoeden dat de stookplaats zich in het
achterste balkvak heeft bevonden. Ook de situering van de trap is niet met
zekerheid vast te stellen. Een verstoring in de moer- en kinderbinten-balklaag
aan de noordzijde van het achterste balkvak vormt een mogelijke aanwijzing voor
de situering van de trap.
Zeventiende eeuw
Na het beleg van de stad in 1573 en de stadsbrand van 1576 ontwikkelt
zich een tweede periode van economische voorspoed. Dit weerspiegelt zich in de
bouwgeschiedenis van Spaarne 108. Gelegen in 'het beste van 't Spaarne' staat
in 1628 in de verpondingsregisters IJsbrant Cornelisz Viscoopers als eigenaar
geregistreerd. Het huis staat als huurhuis opgetekend. Het buurpand ter linker
zijde is van oud-burgemeester Pieter Schout. De twee percelen op de hoek met de
Oude Gracht zijn in gebruik bij de brouwerij 'het Haarlemse Waepen'. Rechts van
Spaarne 108 liggen drie woonhuizen. Op de hoek met de Gravinnesteeg ligt het
woonhuis van Harmen Jansz van Gelder. De panden hier naast zijn van Cornelis
Schout en Floris Philips.
Blijkens de vermelding in de top is de gevel in 1637 vernieuwd. Op alle
bouwlagen wordt het dikteverschil tussen de oorspronkelijke en nieuwe voorgevel
overbrugd door toevoeging van extra moerbalken, verlengde muur- en wormplaten
en sporen. Gelijktijdig met de vernieuwing van de voorgevel - of relatief kort
erna - is het pand uitgebreid met een ruim anderhalve meter lager achterhuis
met een diepte van bijna 6 meter. Door de bouw van het achterhuis verliezen de
direct tegen de achtergevel gesitueerde ruimten een deel van de
daglichttoetreding. Door de aanwezigheid van de steeg aan de linker zijde
kregen deze ruimten daglicht via vensteropeningen in de zuidelijke bouwmuur.
Het achterhuis bezit enkelvoudige balklagen, die voor wat betreft de
zolderbalklaag aan de zuidzijde opgelegd zijn op eiken geprofileerde consoles.
Op de balken zijn de vloerdelen genageld. De kap bezit twee in eiken
uitgevoerde gestapelde gebinten met daar over sporen. De vlieringvloer wordt
door hangbalken in de kap gedragen.
Achttiende eeuw
De eind 16e eeuw aangevangen periode van economische bloei loopt tot
diep in de achttiende eeuw door. Deze voorspoed weerspiegelt zich in de
achttiende eeuw ook in de bouwgeschiedenis van Spaarne 108. In het begin van de
achttiende eeuw is het huis in bezit van Isaack Craijestein gekomen. Hij bezit
tevens het noordelijk buurpand en enige panden aan de Gravinnesteeg. Hij
verkoopt Spaarne 108 in 1722 aan Jan de Beer. Dat Craijestein zijn woongenot
wilde beschermen blijkt uit de voorwaarde die wordt gesteld bij de verkoop 'dat
daer noijt in sal mogen gedaen werden d'ondergesegde neeringe (...), als
Tapneringe of herbergh, coper- of blikslager, kuijper of vleeshouwer, smith,
kaersemaeker en timmerman'.
In 1762 wordt de steeg ter linker zijde bij Spaarne 110 gevoegd. De
weduwe van De Beer, Sara Kalf, blijft tot haar dood in 1779 in het pand wonen.
Na haar overlijden koopt de weduwe van Matthijs Hoofman van Diepenbroek Maria
van der Graas het pand. Zij woont dan in het noordelijk buurpand nummer 106.
Bij legaat van 13 november 1780 erft Jacob Hoofman van Maria van der Graas
onder andere nummer 108. Door aankopen in datzelfde jaar van huizen aan de
Gravinnesteeg wordt hij eigenaar van een aanzienlijke hoeveelheid panden en
erven in het bouwblok begrensd door het Spaarne, de Oude Gracht, de Kleine
Houtstraat en de Gravinnesteeg. Spaarne 108 is in die tijd verhuurd.
Samenvoeging omstreeks 1760 van de noordelijke buurpanden heeft gevolgen
gehad voor nummer 108. Aangezien nummer 106 aanzienlijk werd verhoogd en de kap
in richting werd gedraaid, moest ook de bouwmuur worden verhoogd. Gezien de
bouwsporen heeft men de gemene muur tussen nummer 108 en 106 verdikt vanaf de
fundering. De gemene muur is daartoe aan de zijde van nummer 108 met een klamp
opgedikt. Dit heeft zowel in- als extern zichtbare gevolgen gehad. De lijstgevel
van 106 is opgetrokken tot het hart van de dikkere gemene muur, waardoor bijna
een strek breedte van de gevel uit 1637 verwijderd is. Dit is duidelijk
zichtbaar aan de rechter zijde van de gevel in het niet of nauwelijks voorkomen
van hoekblokken en een smalle eerste trede van de trapgevel. Inwendig heeft men
aan de noordzijde de stijlen van het houtskelet verwijderd. De moerbalken zijn
rechtstreeks opgelegd in de opgedikte gemene muur. In de kap waren ook diverse
aanpassingen noodzakelijk.
Relatief kort na deze verbouwing worden aan de zuidzijde van het
voorhuis werkzaamheden uitgevoerd.
Als gevolg van het dichtbouwen van de steeg aan de linker zijde worden
de vensteropening(en) in de zuidelijke bouwmuur toegemetseld. De toegepaste
baksteen wijkt niet veel af van die, die voor de verbouwing van de buurpanden
is gebruikt. Dezelfde baksteen is ook aangetroffen in de dichtgezette
muurstijlsleuven. Het is dus aannemelijk dat rond 1760 het voorhuis haar
middeleeuwse houtskelet volledig verloor. Bij deze grootscheepse verbouwing in
de rechter perceelsgrens een achterbouw in n bouwlaag met kap opgetrokken.
Achter de achterbouw wordt nog een vrijstaand achterhuis gebouwd. Dit bouwwerk
is nog aanwezig op de kadastrale kaart van 1830 maar inmiddels gesloopt.
Het interieur van het voorhuis wordt aangepast aan de eis van de tijd.
De vertrekken in het voorhuis in de onderste bouwlaag krijgen een inrichting in
Lodewijk XVI-stijl. De gang wordt doorgetrokken tot aan de nieuwe achterbouw.
De verdieping wordt verdeeld in afzonderlijke vertrekken. De achterbouw krijgt
een keuken-inrichting. Daarbij worden de wanden gedecoreerd met hergebruikte
polychrome 'tulpen'tegels als kader om vlakken met zg. witjes.
Negentiende eeuw
Rond 1800 is het bezit van Jacob Hoofman in bezit van Pieter Nicolaas
Quarles de echtgenoot van Margaretha Geertruida Hoofman. Het eigendom gaat over
op L.J. Quarles van Ufford, wiens erven Spaarne 108 in 1873 verkopen aan
ritmeester Cornelis Druyvesteyn.
Ingrijpende verbouwingen vinden niet meer plaats. De wijzigingen
beperken zich voornamelijk tot interne modernisering van de vertrekken. Zo
wordt de tussenkamer aangepast aan de stijl van de voorkamer. Onder de moer- en
kinderbintenbalklaag wordt een frame van houten delen gemaakt. Het plafond
wordt zo verdeeld in drie vakken. In het middenvak een rond middengedeelte met
noord en zuid een rechthoekig vak. Aan weerszijden van het middenvak komen twee
rechthoekige vakken. De velden worden voorzien van een bespanning van jute en
het geheel wordt wit geschilderd. De wanden worden eveneens voorzien van een
bespanning. Een losse kachel wordt in de ruimte geplaatst. Op de bespanning in
de voorkamer op de verdieping wordt diverse malen behangpapier aangebracht, waar
onder n met een motief van bloemen en bladeren.
Twintigste eeuw
In 1903 verkoopt ritmeester Cornelis Druyvesteyn het pand aan het Bisdom
Haarlem, waardoor nummer 106 en 108 wederom in één eigendom zijn gekomen. Tot
1924 is het R.K. Sint Joseph-gesticht in de panden gehuisvest. Van 1940 tot
1995 woont en werkt de schilder-kunstenaar Kees Verwey in het pand.
In de periode 1940/45 is door architect dr.ir.G.A.C.Blok een
verbouwingsplan opgesteld. Vermoedelijk vanwege de oorlogsomstandigheden is dit
plan maar zeer ten dele uitgevoerd. Feitelijk is slechts de top van de
voorgevel vanwege de slechte technische toestand vernieuwd. Het is aannemelijk
dat er een exacte copie is gemaakt. Het kruisvenster in de vierde bouwlaag is
daarbij vervangen door een copie, die slechts een magere afspiegeling lijkt van
de oorspronkelijke situatie.
De restauratie betrof voornamelijk herstel van technische gebreken.
Verder is het comfort aangepast aan de huidige eisen, waardoor de indeling
minimaal moest worden aangepast. De technische installatie is vernieuwd en
uitgebreid met onder andere een zonneboiler en het pand is van thermische
isolatie voorzien. De afwerking is bescheiden gehouden met inwendig een
kleurenpalet op basis van groen. De voorkamer op de verdieping is voorzien van
een in stijl aangepast behang.
De
Pyramide van Austerlitz (gemeente Woudenberg) - een kort overzicht van de
bouwgeschiedenis
auteur: ir. P.C. van Traa (architectenbureau De Steunbeer BV - Helmond)
De bouwgeschiedenis is onderzocht ter voorbereiding van de opstelling
van het restauratieplan van het rijksmonument.
Nadat de Franse troepen in 1795 ons land bezet hadden, werden de
soldaten van het bezettingsleger verspreid over het gehele land in gekwartierd
in openbare gebouwen, maar vooral in huis bij de burgerij. Dit leidde enerzijds
tot spanningen en anderzijds tot een leger dat als gevolg van zijn geografische
verspreiding nauwelijks kon worden getraind en al zeker niet in grootschalige
manoeuvres als één ongedeeld legerkorps.
Dit was een doorn in het oog van de opperbevelhebber van de troepen
generaal Marmont, die in 1804 opdracht gaf het ruim 20.000 manschappen tellende
Frans-Bataafse legerkorps samen te
brengen op de heide ten noordoosten van Zeist. Uit strategisch oogpunt was de
keuze voor dit heidegebied logisch: het legerkorps was zo centraal
gepositioneerd op het grondgebied van de Bataafse Republiek en de
terreingesteldheid leende zich uitstekend voor het houden van grootschalige
manoeuvres.
Op de heide werd een legerkamp met een lengte van ruim 3 kilometer en
een breedte van 500 meter ingericht. Nadat het kamp was ingericht werden de
manschappen getraind met marsen en werd ‘onder vuur’ getraind in de militaire
vaardigheden van aanval en verdediging.
Toen in het najaar van 1804 de manschappen naar tevredenheid van Marmont
de militaire vaardigheden onder de knie hadden en er gezien het mooie
najaarsweer nog geen noodzaak tot het opbreken van het kamp bestond, ontstond
bij Marmont het idee ter ere van zijn persoonlijke vriend en voorbeeld Napoleon
Bonaparte een gedenkteken op te richten. Dat daarbij de manschappen nog nuttig
bezig gehouden werden, was voor Marmont een vereiste.
In zijn memoires spreekt Marmont over het idee een monument op te
richten dat in de komende eeuwen zal herinneren aan het verblijf van het leger
op die plaats en ter herinnering van de overwinningen van Frankrijk en zijn
leider Napolen. Hij voeg zich af welk karakter het monument moest hebben. Het
moest de gezamenlijke inspanning van de manschappen uitstralen en het moest
opmerkelijk qua massa zijn, maar het mocht geen kunstobject zijn. Een piramide
in het vlakke Hollandse land voldeed volgens Marmont exact aan zijn wensen.
Geïnspireerd door zijn veldtocht onder leiding van Napoleon naar Egypte
, koos Marmont voor de oprichting van een piramide, bekroond met een obelisk.
Ten einde het gedenkteken een zo markant mogelijke uitstraling te geven, is de
keuze voor oprichting op het hoogste punt in de omgeving logisch.
De omgeving van het legerkamp bestond voornamelijk uit heideveld met een
enkele verhoging in de vorm van zandduinen. Een van deze zandduinen werd van
oudsher in de volksmond de "Amersfoortse berg" genoemd. Marmont liet
de ‘berg’ eerst enigszins afvlakken, ten einde een geëgaliseerd terrein van
ongeveer 45 bij 45 meter te realiseren.
Marmont was – niet ten onrechte zoals naderhand is gebleken – bevreesd
dat na zijn vertrek het gedenkteken spoedig zou worden vernietigd. Derhalve
kocht hij de Hoeve Henschoten bij Woudenberg. De landerijen van de hoeve
strekten zich ver westwaarts uit inclusief de heidevelden en het terrein van de
piramide. Hij liet een waterput slaan in de directe nabijheid van de huidige
uitspanning. Op het terrein waren in 1804 reeds drie kleine huisjes
opgetrokken, waar drie gepensioneerde militairen met hun families werden
gehuisvest. Zij ontvingen enige stuks vee en hadden het recht op een stukje
grond voor eigen gebruik. De drie gepensioneerden werden geacht het gedenkteken
te bewaken.
Na de aftocht van de Fransen en herstel van het Koninkrijk der
Nederlanden werd in het midden van de negentiende eeuw overgegaan tot
ontginning van de heidevelden ten behoeve van bosbouw. Met het groeien van het
bos wijzigde zich het beeld van de piramide en haar omgeving zich drastisch.
Van een open landschap met daarin op een verhoging een voor Nederlandse begrippen
ongewoon gedenkteken, wijzigde zich het beeld binnen enige decennia in een in
het bos verscholen monument. Slechts de laan van de plaats van het
oorspronkelijke militaire kamp – waaruit inmiddels het dorpje Austerlitz was
ontstaan – naar de piramide bleef herkenbaar in het landschap. De andere laan
verdween onder de bosaanplant.
Zoals reeds aangegeven is de keuze van Marmont om het gedenkteken de
vorm van een piramide te geven zeer waarschijnlijk geïnspireerd op de veldtocht
met Napoleon in Egypte. Dat Marmont het theatrale niet schuwde, mag blijken uit
de keuze voor de bouwplaats. Gesitueerd op één van de hoogste punten in het
centrum van het vlakke land van Koninkrijk Holland, realiseerde hij in de
weidse heidevlakte een architectonisch opvallend gedenkteken, dat tevens een
militaire functie als uitkijkpost inhield.
Vanuit het hoogste punt had men onbelemmerd uitzicht over de bossen aan
de Amersfoortsestraatweg en het Slotcomplex van Zeist. Communicatie kon
onderhouden worden met de duidelijk zichtbare kerktorens van Utrecht en
Amersfoort en op die van Doorn en Amerongen in het zuiden.
De ruim 20.000 man sterke Frans-Bataafse troepenmacht werd opgedeeld in
drie gelijke groepen. Blijkens een verslag van een van de soldaten werd vroeg
in de ochtend van maandag 10 september de eerste groep voorzien van portie
jenever en soep, waarna zij werden afgemarcheerd naar de bouwplaats. Nadat het
werkterrein eerst enigszins was afgevlakt, werd in een straal van ongeveer 45
meter een greppel rond het terrein gegraven. Het uitkomende zand werd voor de
bouw benut. De manschappen vulden op de door de ingenieurs bepaalde plaatsen
manden en zakken met grond, die in gestrekte draf (!) naar de bouwplaats werden
gebracht, om aldaar te worden geleegd.
Dat vele handen licht werk maakte, blijkt wel uit het feit dat na 27
dagen de piramide geheel op hoogte was. Men had nog vijf dagen nodig om een en
ander af te werken en de houten obelisk te plaatsen. Het gereed komen (op 8
oktober) werd gevierd met manoeuvres, een diner en vuurwerk op 21 oktober 1804.
Dit moet een groot spektakel zijn geweest, dat werd gadegeslagen door een grote
menigte bezoekers.
Een jaar later - maart 1805 - werden tegen de zijden van de hellingbanen
naar het basement vier gedenkplaten in hardsteen geplaatst, die vervaardigd
zijn door een Amsterdamse steenhouwer Guillot. De teksten op deze platen zijn
een lofzang op Keizer Napoleon en zijn daden.
In de zomer van 1805 werd de legermacht weer in het kamp Zeist bijeen
gebracht. Inmiddels waren de tenten vervangen door houten barakken, hetgeen
duidt op een meer permanent karakter van de legerplaats. Eind juli echter wordt
het kamp opgebroken en vertrekken de troepen onder leiding van Marmont naar
Moravië.
Kort na de realisering van de piramide zijn er plannen gemaakt om het
gedenkteken een meer permanent karakter te geven. Een tekening geeft weer dat
een completer herbouw in baksteen is overwogen. In de bijbehorende begroting is
sprake van 500 "toise cube" (lees m³) voor een prijs van totaal
60.000 florins (gulden). Daarnaast nog bakstenen voor het loopvlak voor een
totaal van 12.750 florins, tezamen een bouwsom van 72.750 florins. Niet
becijferd is de sloop van het bestaande gedenkteken en het overige grondwerk.
Al in 1807 vertonen zich sporen van verval. Droogte in dat jaar had
verzakkingen tot gevolg en de obelisk kwam scheef te staan. Op 15 juli 1808 is
in een resolutie van Minister van Oorlog te lezen dat de "Obelisque
staande op de piramide in het Camp van Austerlitz te doen afbreeken en de
daarvan koomende planken etc. bijeen te zaamelen, om wijders de noodige
reparatiën en verbeteringen aan de graszooden van dezelve piramide dadelijk te
doen effectueren, en eindelijk ten spoedigste de kosten op te geven welke de
voorzeide piramide jaarlijks heeft veroorzaakt".
In 1849 vermeldt A.J. van der Aa in het Aardrijkskundig Woordenboek der
Nederlanden dat dan de trapsgewijze opbouw van de piramide al niet meer
aanwezig is. Een pad loopt spiraalsgewijs tegen de klok in omhoog naar de top.
Op de top staat een klein met riet gedekt prieeltje.
Zo’n negentig jaar wordt de piramide aan haar lot overgelaten. Er
resteert dan niet veel meer dan een ongeveer twintig meter hoge bult grond. Naar
aanleiding van de vondst van (delen van) één van de plaquettes, neemt in 1894
de toenmalige eigenaar de heer J.B. de Beaufort maatregelen om te komen tot
restauratie. Hij geeft de Amersfoortse architect D. van der Werf opdracht een
nieuwe bekroning voor de piramide te ontwerpen. Al veel eerder - in januari
1888 - had Van der Werf reeds het plan tot restauratie opgesteld. De Beaufort
legde de plannen in de zomer van 1894 voor aan Dr. Cuypers , die de raad gaf
iets meer "gehouwen steen' in het ontwerp toe te passen. Van der Werf
volgde deze raad op.
Het graafwerk voor de fundering wordt in april 1894 begonnen. Het
optrekken van het metselwerk door aannemer B. van Zijl te Woudenberg begint op
23 mei 1894. Ten gevolge van slecht weer werd dit pas op 17 october voltooid.
De baksteen was geproduceerd door Klinkenberg te Elst De hardsteen was
afkomstig uit de groeven van Baudipont en Péru te Escauzines en werd bewerkt
door R. van Dijk te Amersfoort. De eiken trap in de obelisk werd door C. van de
Wetering Gz. te Woudenberg gemaakt.
Het herstel van het aardlichaam van de piramide vergde de aanvoer van
ruim 1200m³ grond. Daarbij werden de oorspronkelijke treden niet hersteld. De
zijvlakken van de piramide werden vlak uitgevoerd in aansluiting op de
balustrade van de nieuwe obelisk.
Bij de ontgraving ten behoeve van de bouw van de nieuwe obelisk werd de
loden koker opgegraven, die Marmont ongeveer in de kern van de piramide had
laten begraven. In de koker bevonden zich de als gevolg van inwatering vrijwel
vergane perkamenten oorkondes - waarop oorspronkelijk de namen van alle
personen stonden vermeld, die aan de realisatie hadden meegewerkt. Daarnaast
trof een munt van 20 franc aan met de beeltenis van Napoleon en een kruis van
het Legioen van Eer. De koker met inhoud is in 1894 in de collectie van het
Rijksmuseum ondergebracht. Nadien is deze overgebracht naar elders en naar
verluidt vermoedelijk bij oorlogshandelingen aan het eind van de tweede
wereldoorlog verloren gegaan.
Een ander bijzonder feit is dat men bij de ontgraving ten behoeve van de
aanleg van het fundament van de nieuwe obelisk in het centrum van de piramide
een houten paal aantrof, die met keien tegen omvallen was verankerd.
Vermoedelijk is dit bij de bouw in 1804 het maatvaste middelpunt geweest, van waaruit
de bouw werd bepaald.
In juli 1895 werd het aardlichaam aan de voorzijde (zuidwest) voorzien
van een rechte trap van spoorbielzen (68 treden van 17 centimeter hoog), die
het uit het midden van de 19de eeuw daterende spiraalsgewijs omhooglopend pad verving.
Deze trap werd in 1910 wederom vervangen door de huidige stenen trap. Aan de
voet van de piramide werd het nog bestaande portiershuisje opgetrokken.
De oorspronkelijke bekroning van de obelisk werd in 1948 vervangen door
de huidige bronzen bekroning.
Door erosie en begroeiing is de piramide thans nauwelijks meer
zichtbaar. De balustrade op de omgang van de obelisk is verwijderd. Enige van
de onderdelen liggen nog op het aardlichaam en aan de voet van de piramide.
Zie ook: http://perso.club-internet.fr/ameliefr/Pyramide.html
Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat in de
12e eeuw al een houten kerkje lag op de terp van (Oud-) Diemen. Dit
kerkje groeide uit tot de rijk gedecoreerde Mariakerk, die in 1807 wegens
bouwvalligheid werd gesloopt. In 1578 koos Amsterdam en omgeving in de strijd
tegen de Spanjaarden de zijde van de Prins van Oranje. De katholieke
bezittingen in de regio werden geconfisceerd. Zo gebeurde ook, in 1584, met de
Mariakerk. Zij kwam ter beschikking van de gereformeerden. Alleen deze
geloofsgemeenschap mocht in de Republiek der Verenigde Nederlanden haar religie
in het openbaar uitoefenen. Andere religies werden gedoogd, maar hun kerken
mochten niet als zodanig herkenbaar zijn, vandaar de term ‘schuilkerk’.
Wat er met de katholieken van Diemen, die voor een
groot deel hun geloof trouw bleven, gebeurde, is onbekend. We vinden pas in
1630 weer informatie over hen toen particulieren in Overdiemen toestemming van
de overheid kregen om een ‘huiskerk’ in
te richten. Deze werd gewijd aan Petrus’ Banden (Handelingen 12: 7-10) en zag
er van buiten uit als een stal. Zij heeft dienst gedaan tot de inwijding van De
Hoop in 1787.
De Hoop werd op initiatief van de pastoor van
Overdiemen, Johannes Hegeman, neergezet in het dorpje Diemerbrug, dat na de
aanleg van de Muidertrekvaart, in 1638-1640, steeds belangrijker was geworden.
Het lag dan ook voor de hand om de bouwvallig geworden oude schuilkerk hierheen
te verplaatsen. Hoewel de regels die de overheid stelde aan andere geloven in
de loop der tijd minder streng geworden waren, mocht de nieuwe katholieke kerk
nog steeds niet als zodanig herkenbaar zijn. Van buiten was De Hoop, eveneens
gewijd aan Petrus’ Banden, dan ook zeer eenvoudig. De binnenkant was echter,
voor een plattelandskerkje, rijk versierd, waarschijnlijk naar ontwerp van de
meester-metselaar W. van Wouw met versieringen van de hand van de stukadoors de
gebroeders J. en M. de Wolff. In 1795 werd De Hoop beschreven als ‘een schoon
gebouw, welks wederga zeker zelden op het platte land gevonden wordt’.
Door de toegenomen welvaart van Diemen aan het einde
van de 19e eeuw gingen de gedachten van de katholieke gemeenschap
uit naar de bouw van een nieuwe kerk. In 1882 werd de naastgelegen
predikantswoning vervangen door de huidige pastorie naar ontwerp van A.C.
Bleijs, die ook de Sint Nicolaaskerk in Amsterdam heeft ontworpen. Geld voor
een kerk was er echter nog niet. Wel werd De Hoop gerestaureerd en kreeg onder
andere haar huidige voorgevel. Aangenomen mag worden dat Bleijs ook hiervoor
verantwoordelijk was.
Uiteindelijk werd pas in 1910 de nieuwe Petrus’
Banden ingewijd. Het ontwerp was van de architecten M.J.G. Lippits en N.H.W.
Scholten, die enkele jaren later Hotel Schiller op het Rembrandtplein in
Amsterdam zouden bouwen. De Hoop werd ingericht als verenigingsgebouw, waarbij
het interieur grotendeels verdween achter betimmeringen. Deze functie hield het
voormalige kerkje tot in de jaren zestig, waarna het gedegradeerd werd tot
opslagplaats van meubelen. Vanwege deze opslagfunctie verdwenen ook de laatste
onderdelen van het oude interieur achter hout.
In de nacht van 16 op 17 november 1990, er is
ondertussen een orgelschool gevestigd, brak brand uit in het onttakelde
kerkgebouw. Na de brand dreigde sloop. Pas toen beseften de Diemenaren wat voor
een uniek bouwwerk verloren zou gaan. De Stichting Monument Schuilkerk De Hoop
werd opgericht om de kerk voor de ondergang te behoeden. Het lukte de stichting
om het gebouw op de Rijksmonumentenlijst geplaatst te krijgen. Daarnaast
verzorgde men diverse publieksacties, die een deel van de restauratiekosten
zouden dekken. Belangrijker echter was dat zo het draagvlak onder de bevolking
van Diemen enorm vergroot werd. Dankzij de publieksacties, donaties vanuit het
bedrijfsleven en monumentensubsidies werd de financiële basis voor de redding
gelegd.
De stichting vond de Amsterdamse Maatschappij tot
Stadsherstel (na de fusie met het Amsterdams Monumenten Fonds per 1 januari
2000 genaamd Stadsherstel Amsterdam) bereid de bouwval over te nemen en geheel
in oude glorie te doen herrijzen. Hiermee was niet alleen de financiële, maar
ook de cultuurhistorische kant van de zaak geregeld.
De restauratie werd uitgevoerd door
Restauratiemaatschappij Schakel & Schrale b.v. Voor het restauratieplan en
de directievoering was Rappange & Partners architekten b.v. verantwoordelijk.
Vooral het herbouwen van het interieur was een grote opgave. Door de brand
kwamen fragmenten van de oorspronkelijke versiering tevoorschijn, waaruit bleek
hoe rijk dit geweest moest zijn. Het enige houvast bij de restauratie was een
tweetal foto’s van rond 1900. Verder bleek na een uitgebreid historisch
onderzoek dat er in dezelfde tijd als De Hoop twee andere katholieke kerken in
Amsterdam gebouwd waren, De Liefde en de kapel van het Maagdenhuis. Uit het
onderzoek bleek dat deze drie kerken een sterke verwantschap hebben gehad.
Kerkzaal gezien naar het altaar. Foto uit circa 1890. (Fotograaf
onbekend)
Zodoende konden ook prenten van deze twee bedehuizen
gebruikt worden bij de reconstructie van het interieur van De Hoop.
Uiteindelijk is het de architecten gelukt om een prachtige zaal te maken, die
De Hoop een nieuwe plek als cultureel centrum in de gemeente Diemen heeft
gegeven.
Op 27 februari 1998 heropende mr. Pieter van
Vollenhoven De Hoop. Hiermee heeft Diemen er een unieke locatie bijgekregen.
Men kan het gebouw afhuren voor diverse activiteiten als recepties, jubilea,
vergaderingen en lezingen. Bovendien kan men er trouwen. Hiermee heeft De Hoop,
dankzij velen die ‘De Hoop niet opgaven’ zijn oude plek als ‘verenigingsgebouw’
in het Diemense leven herkregen. De brand bleek achteraf dus een, wat de
Engelsen zo mooi noemen, ‘blessing in disguise’.
Stadsherstel / Peter Prins, april 2002
Stadsherstel Amsterdam N.V. verwerft, restaureert, onderhoudt en
beheert voor het stadsbeeld karakteristieke panden, zonder winstoogmerk.
Stadsherstel werd opgericht in 1956 toen de gemeente rigoureuze plannen had met
de binnenstad. Zij heeft in haar 45-jarig bestaan bijna 400 verkrotte panden
gerestaureerd en tot gewilde woonhuizen gemaakt. Hiermee heeft zij in
belangrijke mate bijgedragen aan de hernieuwde populariteit van de Amsterdamse
binnenstad. De laatste jaren - zeker na de fusie met het Amsterdams Monumenten
Fonds, eind 1999 - ligt de nadruk niet meer speciaal op woonhuizen. Ook andere
soorten monumentale panden komen in aanmerking om door de N.V. verworven te
worden. Hierbij valt te denken aan kerken en industriële monumenten, als
bijvoorbeeld scheepswerven, molens en gemalen.
De drie belangrijkste doelen van Stadsherstel zijn:
De
navolgende pagina’s zijn met toestemming van de auteur en TenHagen&Stam
overgenomen.
Zie
voor de auteur en
zijn onderneming


