Artikelen over monumenten en monumenten-gerelateerde onderwerpen

Het MonumentenWeb ruimt plaats in voor de publicatie van artikelen op het gebied van monumenten-gerelateerde onderwerpen. Het onderwerp moet interessant zijn voor onze bezoekers, zulks ter beoordeling van het team van het MonumentenWeb. Na plaatsing blijft het artikel in ons archief en kan worden opgevraagd per E-mail of fax. Het artikel moet in gedigitaliseerde vorm worden aangeleverd; de tekst maximaal 7 A4-pagina’s en maximaal 3 foto’s / afbeeldingen. Een duidelijke vermelding van de naam van de auteur en eventueel de organisatie is verplicht.


Maak uw keuze door het aanklikken van de titel van het artikel.

Spaarne 108 te Haarlem - een kort overzicht van de bouwgeschiedenis en de restauratie

De Pyramide van Austerlitz - een kort overzicht van de bouwgeschiedenis

Een korte geschiedenis van kerkgebouw De Hoop in Diemen

Communicatievoorzieningen in een monumentale omgeving


Spaarne 108 te Haarlem - een kort overzicht van de bouwgeschiedenis en de restauratie

auteur: ir. P.C. van Traa (architectenbureau De Steunbeer BV - Helmond)

In 1924 verwerft Vereniging Hendrick de Keyser het pand Spaarne 108, gelegen in de bocht van het Spaarne tussen de Gedempte Oude Gracht en de Gravinnesteeg. Bekendheid kreeg het pand vooral door haar illustere bewoner Kees Verweij, die in 1995 overleed. In 1996/97 werd op basis van een plan van architectenbureau De Steunbeer BV te Helmond een algehele restauratie uitgevoerd. Vooraf en tijdens de uitvoering van de restauratie is bouwhistorisch onderzoek verricht, waarvan dit artikel een kort verslag bevat.

Het niet onderkelderde pand bestaat uit een voor- en achterhuis, over de volle breedte van het perceel, beide in twee bouwlagen met kap - waarin één zolderverdieping en vliering. Aan de rechter zijde van het perceel staat tegen de erfgrens een achterbouw in één bouwlaag met kap. Het perceel is geheel omgeven met bouw- en tuinmuren van de bebouwing op de belendende percelen.

Over de bouwdatum van het oudste gedeelte - het voorhuis - is geen zekerheid. Duidelijk is dat de datum gezocht moet worden in de latere middeleeuwen. In oorsprong betreft het een pand van bijna 7 meter breed en ongeveer 11,5 meter diep. De voorgevel staat onder een hoek met de bouwmuren, hetgeen duidt op een in de bouwtijd reeds vastgelegde rooilijn. Het pand bezit een volledig eiken houtskelet. Twee paar muurstijlen (30x35cm.), ongeveer 5cm. in de bouwmuur ingelaten, steunen moerbalken Zo is het pand verdeeld in drie balkvakken van ongeveer 300cm. breed. De moerbalken van de zolderbalklaag tonen aan dat de balk oorspronkelijk van een sleutelstuk van 155cm. lang was voorzien. Het sleutelstuk was middels vier houten pennen met de balk verbonden.

De sporenkap bestaat uit twee gestapelde gebinten met 'krommer' jukbenen verbonden aan de jukdekbalk en een korbeel ingelaten in- en met pen/gat verbonden aan jukdekbalk en jukbeen (hier met een vrij lange pen en zeven toognagels). Het bovenste gebint is van recenter datum. Een makelaar zal de nok gesteund hebben. Over de moerbalken en de jukdekbalken liggen kinderbinten waarop de houten vloeren zijn genageld. Zowel het jukbeen als de korbeel zijn dendrochronologisch bemonsterd. De datering geeft een kapdatum van circa 1378/1379. Het is gevaarlijk op basis van een bemonstering van een gering aantal onderdelen een bouwtijd vast te stellen. Indien de bemonstering toch een aanduiding van de bouwtijd inhoudt, betekent dit dat het pand vrij vroeg in de eerste periode van economische bloei van Haarlem - tussen 1350 en 1450 - moet zijn gebouwd.

Over de indeling van de ruim 4,5 meter hoge onderste bouwlaag is niet veel bekend. Bij herstelwerkzaamheden in de '50-er jaren zijn in de zuidelijke bouwmuur in de voorkamer één of mogelijk twee vensteropeningen zijn waargenomen. Op zich is dit niet opmerkelijk, aangezien het pand aan die zijde tot 1762 los van belending heeft gestaan. Over de situering van de stookplaats bestaan vermoedens, die echter gebaseerd zijn op zeer summiere bouwhistorische waarnemingen. De verstoring van het metselwerk van de zuidelijke bouwmuur in beide bouwlagen geeft aanleiding te vermoeden dat de stookplaats zich in het achterste balkvak heeft bevonden. Ook de situering van de trap is niet met zekerheid vast te stellen. Een verstoring in de moer- en kinderbinten-balklaag aan de noordzijde van het achterste balkvak vormt een mogelijke aanwijzing voor de situering van de trap.

Zeventiende eeuw

Na het beleg van de stad in 1573 en de stadsbrand van 1576 ontwikkelt zich een tweede periode van economische voorspoed. Dit weerspiegelt zich in de bouwgeschiedenis van Spaarne 108. Gelegen in 'het beste van 't Spaarne' staat in 1628 in de verpondingsregisters IJsbrant Cornelisz Viscoopers als eigenaar geregistreerd. Het huis staat als huurhuis opgetekend. Het buurpand ter linker zijde is van oud-burgemeester Pieter Schout. De twee percelen op de hoek met de Oude Gracht zijn in gebruik bij de brouwerij 'het Haarlemse Waepen'. Rechts van Spaarne 108 liggen drie woonhuizen. Op de hoek met de Gravinnesteeg ligt het woonhuis van Harmen Jansz van Gelder. De panden hier naast zijn van Cornelis Schout en Floris Philips.

Blijkens de vermelding in de top is de gevel in 1637 vernieuwd. Op alle bouwlagen wordt het dikteverschil tussen de oorspronkelijke en nieuwe voorgevel overbrugd door toevoeging van extra moerbalken, verlengde muur- en wormplaten en sporen. Gelijktijdig met de vernieuwing van de voorgevel - of relatief kort erna - is het pand uitgebreid met een ruim anderhalve meter lager achterhuis met een diepte van bijna 6 meter. Door de bouw van het achterhuis verliezen de direct tegen de achtergevel gesitueerde ruimten een deel van de daglichttoetreding. Door de aanwezigheid van de steeg aan de linker zijde kregen deze ruimten daglicht via vensteropeningen in de zuidelijke bouwmuur.

Het achterhuis bezit enkelvoudige balklagen, die voor wat betreft de zolderbalklaag aan de zuidzijde opgelegd zijn op eiken geprofileerde consoles. Op de balken zijn de vloerdelen genageld. De kap bezit twee in eiken uitgevoerde gestapelde gebinten met daar over sporen. De vlieringvloer wordt door hangbalken in de kap gedragen.

Achttiende eeuw

De eind 16e eeuw aangevangen periode van economische bloei loopt tot diep in de achttiende eeuw door. Deze voorspoed weerspiegelt zich in de achttiende eeuw ook in de bouwgeschiedenis van Spaarne 108. In het begin van de achttiende eeuw is het huis in bezit van Isaack Craijestein gekomen. Hij bezit tevens het noordelijk buurpand en enige panden aan de Gravinnesteeg. Hij verkoopt Spaarne 108 in 1722 aan Jan de Beer. Dat Craijestein zijn woongenot wilde beschermen blijkt uit de voorwaarde die wordt gesteld bij de verkoop 'dat daer noijt in sal mogen gedaen werden d'ondergesegde neeringe (...), als Tapneringe of herbergh, coper- of blikslager, kuijper of vleeshouwer, smith, kaersemaeker en timmerman'.

In 1762 wordt de steeg ter linker zijde bij Spaarne 110 gevoegd. De weduwe van De Beer, Sara Kalf, blijft tot haar dood in 1779 in het pand wonen. Na haar overlijden koopt de weduwe van Matthijs Hoofman van Diepenbroek Maria van der Graas het pand. Zij woont dan in het noordelijk buurpand nummer 106. Bij legaat van 13 november 1780 erft Jacob Hoofman van Maria van der Graas onder andere nummer 108. Door aankopen in datzelfde jaar van huizen aan de Gravinnesteeg wordt hij eigenaar van een aanzienlijke hoeveelheid panden en erven in het bouwblok begrensd door het Spaarne, de Oude Gracht, de Kleine Houtstraat en de Gravinnesteeg. Spaarne 108 is in die tijd verhuurd.

Samenvoeging omstreeks 1760 van de noordelijke buurpanden heeft gevolgen gehad voor nummer 108. Aangezien nummer 106 aanzienlijk werd verhoogd en de kap in richting werd gedraaid, moest ook de bouwmuur worden verhoogd. Gezien de bouwsporen heeft men de gemene muur tussen nummer 108 en 106 verdikt vanaf de fundering. De gemene muur is daartoe aan de zijde van nummer 108 met een klamp opgedikt. Dit heeft zowel in- als extern zichtbare gevolgen gehad. De lijstgevel van 106 is opgetrokken tot het hart van de dikkere gemene muur, waardoor bijna een strek breedte van de gevel uit 1637 verwijderd is. Dit is duidelijk zichtbaar aan de rechter zijde van de gevel in het niet of nauwelijks voorkomen van hoekblokken en een smalle eerste trede van de trapgevel. Inwendig heeft men aan de noordzijde de stijlen van het houtskelet verwijderd. De moerbalken zijn rechtstreeks opgelegd in de opgedikte gemene muur. In de kap waren ook diverse aanpassingen noodzakelijk.

Relatief kort na deze verbouwing worden aan de zuidzijde van het voorhuis werkzaamheden uitgevoerd.

Als gevolg van het dichtbouwen van de steeg aan de linker zijde worden de vensteropening(en) in de zuidelijke bouwmuur toegemetseld. De toegepaste baksteen wijkt niet veel af van die, die voor de verbouwing van de buurpanden is gebruikt. Dezelfde baksteen is ook aangetroffen in de dichtgezette muurstijlsleuven. Het is dus aannemelijk dat rond 1760 het voorhuis haar middeleeuwse houtskelet volledig verloor. Bij deze grootscheepse verbouwing in de rechter perceelsgrens een achterbouw in n bouwlaag met kap opgetrokken. Achter de achterbouw wordt nog een vrijstaand achterhuis gebouwd. Dit bouwwerk is nog aanwezig op de kadastrale kaart van 1830 maar inmiddels gesloopt.

Het interieur van het voorhuis wordt aangepast aan de eis van de tijd. De vertrekken in het voorhuis in de onderste bouwlaag krijgen een inrichting in Lodewijk XVI-stijl. De gang wordt doorgetrokken tot aan de nieuwe achterbouw. De verdieping wordt verdeeld in afzonderlijke vertrekken. De achterbouw krijgt een keuken-inrichting. Daarbij worden de wanden gedecoreerd met hergebruikte polychrome 'tulpen'tegels als kader om vlakken met zg. witjes.

Negentiende eeuw

Rond 1800 is het bezit van Jacob Hoofman in bezit van Pieter Nicolaas Quarles de echtgenoot van Margaretha Geertruida Hoofman. Het eigendom gaat over op L.J. Quarles van Ufford, wiens erven Spaarne 108 in 1873 verkopen aan ritmeester Cornelis Druyvesteyn.

Ingrijpende verbouwingen vinden niet meer plaats. De wijzigingen beperken zich voornamelijk tot interne modernisering van de vertrekken. Zo wordt de tussenkamer aangepast aan de stijl van de voorkamer. Onder de moer- en kinderbintenbalklaag wordt een frame van houten delen gemaakt. Het plafond wordt zo verdeeld in drie vakken. In het middenvak een rond middengedeelte met noord en zuid een rechthoekig vak. Aan weerszijden van het middenvak komen twee rechthoekige vakken. De velden worden voorzien van een bespanning van jute en het geheel wordt wit geschilderd. De wanden worden eveneens voorzien van een bespanning. Een losse kachel wordt in de ruimte geplaatst. Op de bespanning in de voorkamer op de verdieping wordt diverse malen behangpapier aangebracht, waar onder n met een motief van bloemen en bladeren.

Twintigste eeuw

In 1903 verkoopt ritmeester Cornelis Druyvesteyn het pand aan het Bisdom Haarlem, waardoor nummer 106 en 108 wederom in één eigendom zijn gekomen. Tot 1924 is het R.K. Sint Joseph-gesticht in de panden gehuisvest. Van 1940 tot 1995 woont en werkt de schilder-kunstenaar Kees Verwey in het pand.

In de periode 1940/45 is door architect dr.ir.G.A.C.Blok een verbouwingsplan opgesteld. Vermoedelijk vanwege de oorlogsomstandigheden is dit plan maar zeer ten dele uitgevoerd. Feitelijk is slechts de top van de voorgevel vanwege de slechte technische toestand vernieuwd. Het is aannemelijk dat er een exacte copie is gemaakt. Het kruisvenster in de vierde bouwlaag is daarbij vervangen door een copie, die slechts een magere afspiegeling lijkt van de oorspronkelijke situatie.

De restauratie betrof voornamelijk herstel van technische gebreken. Verder is het comfort aangepast aan de huidige eisen, waardoor de indeling minimaal moest worden aangepast. De technische installatie is vernieuwd en uitgebreid met onder andere een zonneboiler en het pand is van thermische isolatie voorzien. De afwerking is bescheiden gehouden met inwendig een kleurenpalet op basis van groen. De voorkamer op de verdieping is voorzien van een in stijl aangepast behang.

 top


De Pyramide van Austerlitz (gemeente Woudenberg) - een kort overzicht van de bouwgeschiedenis

auteur: ir. P.C. van Traa (architectenbureau De Steunbeer BV - Helmond)

De bouwgeschiedenis is onderzocht ter voorbereiding van de opstelling van het restauratieplan van het rijksmonument.

Nadat de Franse troepen in 1795 ons land bezet hadden, werden de soldaten van het bezettingsleger verspreid over het gehele land in gekwartierd in openbare gebouwen, maar vooral in huis bij de burgerij. Dit leidde enerzijds tot spanningen en anderzijds tot een leger dat als gevolg van zijn geografische verspreiding nauwelijks kon worden getraind en al zeker niet in grootschalige manoeuvres als één ongedeeld legerkorps.

Dit was een doorn in het oog van de opperbevelhebber van de troepen generaal Marmont, die in 1804 opdracht gaf het ruim 20.000 manschappen tellende Frans-Bataafse legerkorps samen te brengen op de heide ten noordoosten van Zeist. Uit strategisch oogpunt was de keuze voor dit heidegebied logisch: het legerkorps was zo centraal gepositioneerd op het grondgebied van de Bataafse Republiek en de terreingesteldheid leende zich uitstekend voor het houden van grootschalige manoeuvres.

Op de heide werd een legerkamp met een lengte van ruim 3 kilometer en een breedte van 500 meter ingericht. Nadat het kamp was ingericht werden de manschappen getraind met marsen en werd ‘onder vuur’ getraind in de militaire vaardigheden van aanval en verdediging.

Toen in het najaar van 1804 de manschappen naar tevredenheid van Marmont de militaire vaardigheden onder de knie hadden en er gezien het mooie najaarsweer nog geen noodzaak tot het opbreken van het kamp bestond, ontstond bij Marmont het idee ter ere van zijn persoonlijke vriend en voorbeeld Napoleon Bonaparte een gedenkteken op te richten. Dat daarbij de manschappen nog nuttig bezig gehouden werden, was voor Marmont een vereiste.

In zijn memoires spreekt Marmont over het idee een monument op te richten dat in de komende eeuwen zal herinneren aan het verblijf van het leger op die plaats en ter herinnering van de overwinningen van Frankrijk en zijn leider Napolen. Hij voeg zich af welk karakter het monument moest hebben. Het moest de gezamenlijke inspanning van de manschappen uitstralen en het moest opmerkelijk qua massa zijn, maar het mocht geen kunstobject zijn. Een piramide in het vlakke Hollandse land voldeed volgens Marmont exact aan zijn wensen.

Geïnspireerd door zijn veldtocht onder leiding van Napoleon naar Egypte , koos Marmont voor de oprichting van een piramide, bekroond met een obelisk. Ten einde het gedenkteken een zo markant mogelijke uitstraling te geven, is de keuze voor oprichting op het hoogste punt in de omgeving logisch.

De omgeving van het legerkamp bestond voornamelijk uit heideveld met een enkele verhoging in de vorm van zandduinen. Een van deze zandduinen werd van oudsher in de volksmond de "Amersfoortse berg" genoemd. Marmont liet de ‘berg’ eerst enigszins afvlakken, ten einde een geëgaliseerd terrein van ongeveer 45 bij 45 meter te realiseren.

Marmont was – niet ten onrechte zoals naderhand is gebleken – bevreesd dat na zijn vertrek het gedenkteken spoedig zou worden vernietigd. Derhalve kocht hij de Hoeve Henschoten bij Woudenberg. De landerijen van de hoeve strekten zich ver westwaarts uit inclusief de heidevelden en het terrein van de piramide. Hij liet een waterput slaan in de directe nabijheid van de huidige uitspanning. Op het terrein waren in 1804 reeds drie kleine huisjes opgetrokken, waar drie gepensioneerde militairen met hun families werden gehuisvest. Zij ontvingen enige stuks vee en hadden het recht op een stukje grond voor eigen gebruik. De drie gepensioneerden werden geacht het gedenkteken te bewaken.

Na de aftocht van de Fransen en herstel van het Koninkrijk der Nederlanden werd in het midden van de negentiende eeuw overgegaan tot ontginning van de heidevelden ten behoeve van bosbouw. Met het groeien van het bos wijzigde zich het beeld van de piramide en haar omgeving zich drastisch. Van een open landschap met daarin op een verhoging een voor Nederlandse begrippen ongewoon gedenkteken, wijzigde zich het beeld binnen enige decennia in een in het bos verscholen monument. Slechts de laan van de plaats van het oorspronkelijke militaire kamp – waaruit inmiddels het dorpje Austerlitz was ontstaan – naar de piramide bleef herkenbaar in het landschap. De andere laan verdween onder de bosaanplant.

Zoals reeds aangegeven is de keuze van Marmont om het gedenkteken de vorm van een piramide te geven zeer waarschijnlijk geïnspireerd op de veldtocht met Napoleon in Egypte. Dat Marmont het theatrale niet schuwde, mag blijken uit de keuze voor de bouwplaats. Gesitueerd op één van de hoogste punten in het centrum van het vlakke land van Koninkrijk Holland, realiseerde hij in de weidse heidevlakte een architectonisch opvallend gedenkteken, dat tevens een militaire functie als uitkijkpost inhield.

Vanuit het hoogste punt had men onbelemmerd uitzicht over de bossen aan de Amersfoortsestraatweg en het Slotcomplex van Zeist. Communicatie kon onderhouden worden met de duidelijk zichtbare kerktorens van Utrecht en Amersfoort en op die van Doorn en Amerongen in het zuiden.

De ruim 20.000 man sterke Frans-Bataafse troepenmacht werd opgedeeld in drie gelijke groepen. Blijkens een verslag van een van de soldaten werd vroeg in de ochtend van maandag 10 september de eerste groep voorzien van portie jenever en soep, waarna zij werden afgemarcheerd naar de bouwplaats. Nadat het werkterrein eerst enigszins was afgevlakt, werd in een straal van ongeveer 45 meter een greppel rond het terrein gegraven. Het uitkomende zand werd voor de bouw benut. De manschappen vulden op de door de ingenieurs bepaalde plaatsen manden en zakken met grond, die in gestrekte draf (!) naar de bouwplaats werden gebracht, om aldaar te worden geleegd.

Dat vele handen licht werk maakte, blijkt wel uit het feit dat na 27 dagen de piramide geheel op hoogte was. Men had nog vijf dagen nodig om een en ander af te werken en de houten obelisk te plaatsen. Het gereed komen (op 8 oktober) werd gevierd met manoeuvres, een diner en vuurwerk op 21 oktober 1804. Dit moet een groot spektakel zijn geweest, dat werd gadegeslagen door een grote menigte bezoekers.

Een jaar later - maart 1805 - werden tegen de zijden van de hellingbanen naar het basement vier gedenkplaten in hardsteen geplaatst, die vervaardigd zijn door een Amsterdamse steenhouwer Guillot. De teksten op deze platen zijn een lofzang op Keizer Napoleon en zijn daden.

In de zomer van 1805 werd de legermacht weer in het kamp Zeist bijeen gebracht. Inmiddels waren de tenten vervangen door houten barakken, hetgeen duidt op een meer permanent karakter van de legerplaats. Eind juli echter wordt het kamp opgebroken en vertrekken de troepen onder leiding van Marmont naar Moravië.

Kort na de realisering van de piramide zijn er plannen gemaakt om het gedenkteken een meer permanent karakter te geven. Een tekening geeft weer dat een completer herbouw in baksteen is overwogen. In de bijbehorende begroting is sprake van 500 "toise cube" (lees m³) voor een prijs van totaal 60.000 florins (gulden). Daarnaast nog bakstenen voor het loopvlak voor een totaal van 12.750 florins, tezamen een bouwsom van 72.750 florins. Niet becijferd is de sloop van het bestaande gedenkteken en het overige grondwerk.

Al in 1807 vertonen zich sporen van verval. Droogte in dat jaar had verzakkingen tot gevolg en de obelisk kwam scheef te staan. Op 15 juli 1808 is in een resolutie van Minister van Oorlog te lezen dat de "Obelisque staande op de piramide in het Camp van Austerlitz te doen afbreeken en de daarvan koomende planken etc. bijeen te zaamelen, om wijders de noodige reparatiën en verbeteringen aan de graszooden van dezelve piramide dadelijk te doen effectueren, en eindelijk ten spoedigste de kosten op te geven welke de voorzeide piramide jaarlijks heeft veroorzaakt".

In 1849 vermeldt A.J. van der Aa in het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden dat dan de trapsgewijze opbouw van de piramide al niet meer aanwezig is. Een pad loopt spiraalsgewijs tegen de klok in omhoog naar de top. Op de top staat een klein met riet gedekt prieeltje.

Zo’n negentig jaar wordt de piramide aan haar lot overgelaten. Er resteert dan niet veel meer dan een ongeveer twintig meter hoge bult grond. Naar aanleiding van de vondst van (delen van) één van de plaquettes, neemt in 1894 de toenmalige eigenaar de heer J.B. de Beaufort maatregelen om te komen tot restauratie. Hij geeft de Amersfoortse architect D. van der Werf opdracht een nieuwe bekroning voor de piramide te ontwerpen. Al veel eerder - in januari 1888 - had Van der Werf reeds het plan tot restauratie opgesteld. De Beaufort legde de plannen in de zomer van 1894 voor aan Dr. Cuypers , die de raad gaf iets meer "gehouwen steen' in het ontwerp toe te passen. Van der Werf volgde deze raad op.

Het graafwerk voor de fundering wordt in april 1894 begonnen. Het optrekken van het metselwerk door aannemer B. van Zijl te Woudenberg begint op 23 mei 1894. Ten gevolge van slecht weer werd dit pas op 17 october voltooid. De baksteen was geproduceerd door Klinkenberg te Elst De hardsteen was afkomstig uit de groeven van Baudipont en Péru te Escauzines en werd bewerkt door R. van Dijk te Amersfoort. De eiken trap in de obelisk werd door C. van de Wetering Gz. te Woudenberg gemaakt.

Het herstel van het aardlichaam van de piramide vergde de aanvoer van ruim 1200m³ grond. Daarbij werden de oorspronkelijke treden niet hersteld. De zijvlakken van de piramide werden vlak uitgevoerd in aansluiting op de balustrade van de nieuwe obelisk.

Bij de ontgraving ten behoeve van de bouw van de nieuwe obelisk werd de loden koker opgegraven, die Marmont ongeveer in de kern van de piramide had laten begraven. In de koker bevonden zich de als gevolg van inwatering vrijwel vergane perkamenten oorkondes - waarop oorspronkelijk de namen van alle personen stonden vermeld, die aan de realisatie hadden meegewerkt. Daarnaast trof een munt van 20 franc aan met de beeltenis van Napoleon en een kruis van het Legioen van Eer. De koker met inhoud is in 1894 in de collectie van het Rijksmuseum ondergebracht. Nadien is deze overgebracht naar elders en naar verluidt vermoedelijk bij oorlogshandelingen aan het eind van de tweede wereldoorlog verloren gegaan.

Een ander bijzonder feit is dat men bij de ontgraving ten behoeve van de aanleg van het fundament van de nieuwe obelisk in het centrum van de piramide een houten paal aantrof, die met keien tegen omvallen was verankerd. Vermoedelijk is dit bij de bouw in 1804 het maatvaste middelpunt geweest, van waaruit de bouw werd bepaald.

In juli 1895 werd het aardlichaam aan de voorzijde (zuidwest) voorzien van een rechte trap van spoorbielzen (68 treden van 17 centimeter hoog), die het uit het midden van de 19de eeuw daterende spiraalsgewijs omhooglopend pad verving. Deze trap werd in 1910 wederom vervangen door de huidige stenen trap. Aan de voet van de piramide werd het nog bestaande portiershuisje opgetrokken.

De oorspronkelijke bekroning van de obelisk werd in 1948 vervangen door de huidige bronzen bekroning.

Door erosie en begroeiing is de piramide thans nauwelijks meer zichtbaar. De balustrade op de omgang van de obelisk is verwijderd. Enige van de onderdelen liggen nog op het aardlichaam en aan de voet van de piramide.

Zie ook: http://perso.club-internet.fr/ameliefr/Pyramide.html

top


 

Een korte geschiedenis van kerkgebouw De Hoop in Diemen

 

Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat in de 12e eeuw al een houten kerkje lag op de terp van (Oud-) Diemen. Dit kerkje groeide uit tot de rijk gedecoreerde Mariakerk, die in 1807 wegens bouwvalligheid werd gesloopt. In 1578 koos Amsterdam en omgeving in de strijd tegen de Spanjaarden de zijde van de Prins van Oranje. De katholieke bezittingen in de regio werden geconfisceerd. Zo gebeurde ook, in 1584, met de Mariakerk. Zij kwam ter beschikking van de gereformeerden. Alleen deze geloofsgemeenschap mocht in de Republiek der Verenigde Nederlanden haar religie in het openbaar uitoefenen. Andere religies werden gedoogd, maar hun kerken mochten niet als zodanig herkenbaar zijn, vandaar de term ‘schuilkerk’.

 

Wat er met de katholieken van Diemen, die voor een groot deel hun geloof trouw bleven, gebeurde, is onbekend. We vinden pas in 1630 weer informatie over hen toen particulieren in Overdiemen toestemming van de overheid kregen om  een ‘huiskerk’ in te richten. Deze werd gewijd aan Petrus’ Banden (Handelingen 12: 7-10) en zag er van buiten uit als een stal. Zij heeft dienst gedaan tot de inwijding van De Hoop in 1787.

 

De Hoop werd op initiatief van de pastoor van Overdiemen, Johannes Hegeman, neergezet in het dorpje Diemerbrug, dat na de aanleg van de Muidertrekvaart, in 1638-1640, steeds belangrijker was geworden. Het lag dan ook voor de hand om de bouwvallig geworden oude schuilkerk hierheen te verplaatsen. Hoewel de regels die de overheid stelde aan andere geloven in de loop der tijd minder streng geworden waren, mocht de nieuwe katholieke kerk nog steeds niet als zodanig herkenbaar zijn. Van buiten was De Hoop, eveneens gewijd aan Petrus’ Banden, dan ook zeer eenvoudig. De binnenkant was echter, voor een plattelandskerkje, rijk versierd, waarschijnlijk naar ontwerp van de meester-metselaar W. van Wouw met versieringen van de hand van de stukadoors de gebroeders J. en M. de Wolff. In 1795 werd De Hoop beschreven als ‘een schoon gebouw, welks wederga zeker zelden op het platte land gevonden wordt’.

 

Door de toegenomen welvaart van Diemen aan het einde van de 19e eeuw gingen de gedachten van de katholieke gemeenschap uit naar de bouw van een nieuwe kerk. In 1882 werd de naastgelegen predikantswoning vervangen door de huidige pastorie naar ontwerp van A.C. Bleijs, die ook de Sint Nicolaaskerk in Amsterdam heeft ontworpen. Geld voor een kerk was er echter nog niet. Wel werd De Hoop gerestaureerd en kreeg onder andere haar huidige voorgevel. Aangenomen mag worden dat Bleijs ook hiervoor verantwoordelijk was.

 

Uiteindelijk werd pas in 1910 de nieuwe Petrus’ Banden ingewijd. Het ontwerp was van de architecten M.J.G. Lippits en N.H.W. Scholten, die enkele jaren later Hotel Schiller op het Rembrandtplein in Amsterdam zouden bouwen. De Hoop werd ingericht als verenigingsgebouw, waarbij het interieur grotendeels verdween achter betimmeringen. Deze functie hield het voormalige kerkje tot in de jaren zestig, waarna het gedegradeerd werd tot opslagplaats van meubelen. Vanwege deze opslagfunctie verdwenen ook de laatste onderdelen van het oude interieur achter hout.

 

In de nacht van 16 op 17 november 1990, er is ondertussen een orgelschool gevestigd, brak brand uit in het onttakelde kerkgebouw. Na de brand dreigde sloop. Pas toen beseften de Diemenaren wat voor een uniek bouwwerk verloren zou gaan. De Stichting Monument Schuilkerk De Hoop werd opgericht om de kerk voor de ondergang te behoeden. Het lukte de stichting om het gebouw op de Rijksmonumentenlijst geplaatst te krijgen. Daarnaast verzorgde men diverse publieksacties, die een deel van de restauratiekosten zouden dekken. Belangrijker echter was dat zo het draagvlak onder de bevolking van Diemen enorm vergroot werd. Dankzij de publieksacties, donaties vanuit het bedrijfsleven en monumentensubsidies werd de financiële basis voor de redding gelegd.

 

De stichting vond de Amsterdamse Maatschappij tot Stadsherstel (na de fusie met het Amsterdams Monumenten Fonds per 1 januari 2000 genaamd Stadsherstel Amsterdam) bereid de bouwval over te nemen en geheel in oude glorie te doen herrijzen. Hiermee was niet alleen de financiële, maar ook de cultuurhistorische kant van de zaak geregeld.

 

De restauratie werd uitgevoerd door Restauratiemaatschappij Schakel & Schrale b.v. Voor het restauratieplan en de directievoering was Rappange & Partners architekten b.v. verantwoordelijk. Vooral het herbouwen van het interieur was een grote opgave. Door de brand kwamen fragmenten van de oorspronkelijke versiering tevoorschijn, waaruit bleek hoe rijk dit geweest moest zijn. Het enige houvast bij de restauratie was een tweetal foto’s van rond 1900. Verder bleek na een uitgebreid historisch onderzoek dat er in dezelfde tijd als De Hoop twee andere katholieke kerken in Amsterdam gebouwd waren, De Liefde en de kapel van het Maagdenhuis. Uit het onderzoek bleek dat deze drie kerken een sterke verwantschap hebben gehad.

 

Kerkzaal gezien naar het altaar. Foto uit circa 1890. (Fotograaf onbekend)

 

Zodoende konden ook prenten van deze twee bedehuizen gebruikt worden bij de reconstructie van het interieur van De Hoop. Uiteindelijk is het de architecten gelukt om een prachtige zaal te maken, die De Hoop een nieuwe plek als cultureel centrum in de gemeente Diemen heeft gegeven.

 

Op 27 februari 1998 heropende mr. Pieter van Vollenhoven De Hoop. Hiermee heeft Diemen er een unieke locatie bijgekregen. Men kan het gebouw afhuren voor diverse activiteiten als recepties, jubilea, vergaderingen en lezingen. Bovendien kan men er trouwen. Hiermee heeft De Hoop, dankzij velen die ‘De Hoop niet opgaven’ zijn oude plek als ‘verenigingsgebouw’ in het Diemense leven herkregen. De brand bleek achteraf dus een, wat de Engelsen zo mooi noemen, ‘blessing in disguise’.

 

Stadsherstel / Peter Prins, april 2002

Stadsherstel Amsterdam N.V. verwerft, restaureert, onderhoudt en beheert voor het stadsbeeld karakteristieke panden, zonder winstoogmerk. Stadsherstel werd opgericht in 1956 toen de gemeente rigoureuze plannen had met de binnenstad. Zij heeft in haar 45-jarig bestaan bijna 400 verkrotte panden gerestaureerd en tot gewilde woonhuizen gemaakt. Hiermee heeft zij in belangrijke mate bijgedragen aan de hernieuwde populariteit van de Amsterdamse binnenstad. De laatste jaren - zeker na de fusie met het Amsterdams Monumenten Fonds, eind 1999 - ligt de nadruk niet meer speciaal op woonhuizen. Ook andere soorten monumentale panden komen in aanmerking om door de N.V. verworven te worden. Hierbij valt te denken aan kerken en industriële monumenten, als bijvoorbeeld scheepswerven, molens en gemalen.

De drie belangrijkste doelen van Stadsherstel zijn:

top


 

Communicatievoorzieningen in een monumentale omgeving

 

De navolgende pagina’s zijn met toestemming van de auteur en TenHagen&Stam overgenomen.

 

Zie voor de auteur en zijn onderneming

 

 

top